Archeologen proberen het menselijk leven in het verleden te reconstrueren op basis van de artefacten die ze bij opgravingen vinden. Ze gebruiken evolutionaire archeologie en ecologische theorieën om veranderingen in artefacten te analyseren, met het oog op het begrijpen van de sociale context waarin ze werden gebruikt. Deze onderzoeken spelen een belangrijke rol bij het blootleggen van verbanden tussen het verleden en de moderne samenleving.
De artefacten die archeologen bij opgravingen terugvinden, bieden uiterst fragmentarische informatie over het menselijk leven in het verleden. Archeologie maakt gebruik van theorieën uit meerdere disciplines om het menselijk leven uit dit materiaal te reconstrueren. Archeologisch onderzoek is essentieel voor het begrijpen van de menselijke evolutie en culturele ontwikkeling, en probeert daarbij ook verbindingen te leggen met de moderne samenleving.
De evolutionaire archeologie richt zich bijvoorbeeld op de evolutietheorie, die het menselijk leven beschouwt als een selectie om zich beter aan te passen aan de natuurlijke omgeving, om het verleden te verklaren. Een voorbeeld van de evolutietheorie in actie is de studie van veranderingen in aardewerk. Deze studie onderzocht de dikte van kookpotten die op een enkele locatie waren opgegraven over een periode van ongeveer 1,000 jaar, beginnend in de eerste eeuw na Christus, en het zetmeelgehalte van de granen die werden gebruikt in het voedsel dat in de potten verkoold achterbleef. Uit de resultaten bleek dat de dikte van de potten aanzienlijk dunner werd en dat het zetmeelgehalte van de granen met de tijd toenam. Evolutionaire archeologie verklaart dit uitdunnen als een aanpassing aan veranderingen in de externe omgeving, zoals het verschijnen van meer zetmeelrijke zaden. Deze verklaring is gebaseerd op het feit dat dunner aardewerk functioneel superieur is omdat het de warmte relatief beter geleidt, en dat zetmeelrijke zaden hun waarde als voedsel aanzienlijk verhogen wanneer ze gedurende langere tijd bij hoge temperaturen worden gekookt. Met andere woorden, de verandering in de natuurlijke omgeving die leidde tot de overvloed aan zaden met dikkere omhulsels en een hoger zetmeelgehalte zorgde voor een toename van de hoeveelheid zaden die geoogst konden worden, die van nature lange perioden van verwarming vereisen, dus aardewerk met snellere warmtegeleiding werd gebruikt.
Archeologisch onderzoek richt zich ook niet alleen op de fysieke eigenschappen van een artefact, maar ook op het begrijpen van de sociale context waarin het werd gebruikt. De reden waarom een bepaald soort aardewerk in een bepaalde tijd veel werd gebruikt, kan bijvoorbeeld meer te maken hebben met sociale en culturele veranderingen in die tijd dan alleen met functionaliteit. Vanuit dit perspectief proberen archeologen de functionele en sociale betekenis van een artefact volledig te begrijpen.
Later werden echter meer geavanceerde dateringsmethoden gebruikt om de veranderingen in de dikte van het aardewerk in detail te vergelijken, en er werd ontdekt dat de dikte van het aardewerk in plaats van een geleidelijke verandering rond de 4e eeuw abrupt veranderde, met weinig verandering daarna. Er werd ook ontdekt dat voedingsmiddelen met een hoog zetmeelgehalte pas na de 5e eeuw gebruikelijk werden. Dit maakt de verklaring van natuurlijke selectie voor de verandering in de dikte van het aardewerk minder overtuigend.
Hoewel het belangrijk is om uit te zoeken wat de oorzaak is van de verandering in de dikte van het aardewerk om de implicaties van dunner aardewerk te begrijpen, is het ook belangrijk om op te merken waarom dunner aardewerk gedurende langere tijd werd gebruikt. Het gebruik van granen met een hoog zetmeelgehalte als babyvoeding kan bijvoorbeeld hebben bijgedragen aan het verhogen van de vruchtbaarheidscijfers, omdat de lactatieperiodes van vrouwen werden verkort. Een ecologische verklaring voor het langdurige gebruik van dun aardewerk zou gebaseerd kunnen zijn op de ecologische theorie, die het langdurige gebruik van dun aardewerk toeschrijft aan de actieve selectie van mensen voor babyvoeding, in plaats van selectie op aanpassing aan de natuurlijke omgeving. Ecologische verklaringen zijn gebaseerd op een evolutionair perspectief, maar richten zich meer op het selectieproces als functie van ons vermogen om rationeel te denken.
In tegenstelling tot de evolutionaire archeologie is er ook een perspectief dat gelooft dat het belangrijker is om de context te vinden waarin een individueel artefact werd gebruikt dan functionele factoren bij het interpreteren van de betekenis van een artefact. -culturele factoren zoals de sociale positie van de persoon die het artefact gebruikte en veranderende smaak. Deze visie verklaart het snelle uitdunnen van aardewerk rond de 4e eeuw als volgt. Dit komt doordat actieve uitwisseling tussen groepen nieuwe keramiek introduceerde en mensen er de voorkeur aan gingen geven. Deze sociaal-culturele interpretatie verbreedt de reikwijdte van archeologisch onderzoek en biedt belangrijke aanwijzingen voor het begrijpen van de sociale en culturele stromingen van die tijd, in plaats van alleen de functionele aspecten van de artefacten.
De snelle accumulatie van artefactgegevens uit opgravingen en de ontwikkeling van nieuwe meetmethoden dankzij de vooruitgang van aangrenzende wetenschappen maakt een grote verscheidenheid aan interpretaties mogelijk. Daarom is het belangrijk om open te staan voor nieuwe gegevens en methoden, in plaats van vast te houden aan een specifieke theorie. Archeologisch onderzoek is een voortdurend evoluerende discipline die ons in staat stelt het verleden beter te begrijpen en lessen te trekken voor het heden en de toekomst.